Marmotte: afzien met een grote A

Zondag 2 juli stond de Marmotte op het programma. Sinds de organisatie in Belgische handen is, zeker geen achteruitgang trouwens, officieel bekend onder de naam Marmotte Granfondo Alpes. Maar dat zegt niemand. De Marmotte dus, een magische naam in wielertoeristenland. Jaarlijks staan hier zo’n 7000 rijders aan de start die de route over de meest legendarische Alpencols, bekend van de Tour, zelf willen meemaken. Enkelen doen mee voor de overwinning, velen willen een bepaalde tijd rijden, maar de meesten gaat het om het uitrijden.

Tekst Herman Nekkers van Cyclokalender

Ongelooflijk is dit. Tja, dat is mooi. Een doel stellen en het halen.
Drie keer eerder mocht ik zelf aan de start verschijnen met wisselend resultaat. In 2007 brons wegens materiaalpech, in 2008 was ik niet goed voorbereid (zilver) en in 2012 eindelijk goud (8:16). Maar er had meer ingezeten die dag. Het knaagde altijd nog. Dit jaar moest het er maar van komen. De voorbereiding was ok. Sterker nog, ik heb het idee dat ik nog nooit zo sterk heb gereden in de eerste maanden van het jaar. Via En Route werd een reis geboekt en ik vroeg gelijk maar een startplek bij de eerste 2000 starters. Tot mijn niet geringe verbazing kreeg ik zowaar nummertje 118 toegewezen. Dit betekent zelfs starten vanuit het vak met de echte hardrijders. Leuk om ook eens mee te maken.

Dixie
Goed, het liep tegen de grote dag en de weersvoorspelling gaf aan dat het droog zou worden. Niet al te heet, graadje of 20 in het dal. Op de cols zou het waarschijnlijk wel wat kouder zijn. Maar wat geeft het? Daar ben je slechts kort en via de afdaling zit je in een vloek en een zucht enkele honderden meters lager. Met een windstopper, armstukken en kniestukken moest de kou makkelijk te bestrijden zijn. Voor de zekerheid nam ik wel een regenjack mee, voor het geval het onverhoopt toch zou gaan regenen. Fietsmaat Peter wilde zijn auto beneden zetten dus daalden we ’s morgens in de auto de Alp af. Wat een luxe. We wensten elkaar succes en gingen naar de start. Richting Bourg d’Oisans voelde ik mijn darmen rommelen. Dat voelde niet ok. Maar gelukkig stond er een Dixie en kon ik tien minuten voor de start nog even een Dumoulintje doen. Heerlijk, alles was nu helemaal in orde.

De start
Tja daar sta ik dan in het startvak. Nu moet het gebeuren. De speaker blèrt opzwepende kreten, loeiharde muziek zweept de renners op en daar gaan we. Ik had verwacht dat de echte kleppers heel snel uit het zicht verdwenen zouden zijn, maar dat valt mee. Een grote groep gaat op weg naar Allemont waar de eerste klim aanvangt richting het stuwmeer. Zoals gebruikelijk wordt er stevig doorgereden, maar in een groep is het eenvoudig volgen. Het is een raar gezicht om nog niemand op het stuwmeer te zien. Enkel de auto van de organisatie en de koplopers die de klim zojuist hebben aangevangen. Verder is er weinig anders dan een start middenin de meute. De Glandonklim is lang en onregelmatig. Ik rijd omhoog in mijn eigen tempo. Als doel had ik gesteld om onder de acht uur te finishen. Dat betekent dus zo’n achtenhalf uur rijtijd, want de afdaling van de Glandon is geneutraliseerd en wordt ervan afgetrokken. Daartoe heb ik een schema opgesteld en het idee is om de top van de Glandon na 1:57 te bereiken. Er zat wel een nadeel aan het vooraan starten. Ik zou waarschijnlijk heel veel ingehaald gaan worden. Dat heb ik ingecalculeerd en nu ik hier rijd merk ik dat deze gedachte klopt. Ik trek me er niks van aan en rijd in eigen tempo door. Het gaat lekker en in de laatste kilometers naar de top zie ik dat ik waarschijnlijk voor lig op schema. En inderdaad, na 1:54 rijd ik over de mat die de neutralisatiezone aangeeft. Mooi, dat is lekker. Het is fris op de top, zeg maar gerust koud. Voor mij is het vandaag ideaal weer, want met heet weer kun je mij afschrijven. Ik vul mijn bidon, prop wat eetbaars naar binnen en ga snel weer naar beneden. Dat de afdaling geneutraliseerd is, is volkomen terecht. In het verleden zijn hier doden gevallen en niet iedereen is een Nibali. Ik rij redelijk door, maar doe geen gekke dingen. Wel merk ik dat er een irritante tik zit als ik mijn voorrem gebruik. Ik stop even om het euvel te verhelpen en vind al gauw een steentje of iets dergelijks dat zich op de remrand heeft genesteld. Ik verwijder het en het probleem is daarmee verholpen. Ook doe ik nog even een sanitaire stop in de neutralisatiezone en beneden gaat het op weg naar de voet van de Telegraph. Hier is het oppassen geblazen, want wie hier niet in een goede groep zit en te hard rijdt kan in een half uur zijn voorbereiding van een half jaar weggooien.

Juiste groep vinden
Maar goed, er ontstaat een groepje. Er komt al gauw een renner voorbij met een zwart shirt met de Amsterdamse driekruis achterop. Die rijdt wel zo ongehoord hard. Met drie man haken we aan. Hij rijdt continu op kop en het gaat niet lekker. Veel tempowisselingen, vooral tussen hard en heel hard. Dit heeft geen zin, ik blaas mezelf alleen maar op. Ik laat me dus zakken en wacht op de volgende groep die niet ver verwijderd is. Dit gaat beter en nestel me lekker lafjes achteraan. Laat de jonge jongens het werk maar doen, denk ik bij mezelf. Het gaat wel hard zo vals plat omhoog en we pikken nog diverse groepen op. Ik moet echt wel werken en hoop er maar het beste van. Al snel zijn we bij de voet van de Telegraph. Van de ‘Amsterdammer’ geen spoor. Ik verwacht dat ik hem later nog wel dood in de berm zal zien, maar eerlijk is eerlijk, we hebben elkaar nooit meer gezien.

Kramp op de Galibier
Maar goed, de Telegraph. Deze helling ligt eigenlijk iedereen wel. Niet te steil, gelijkmatig, goed te doen voor iedere getrainde wielertoerist. Achter me hoor ik een stel Denen continu kletsen. Ik erger me, het lijkt wel een stel wijven. Man man, wat lullen die zeg. Ik zeg iets tegen ze in de trand van de ze beter hun krachten kunnen sparen, maar ik wordt weggelachen. Soms voor me soms achter me, maar er komt geen eind aan dat oeverloze gelul van die gasten. Ik rij lekker door en boven zit ik nog steeds enkele minuten voor op het schema. Hoeveel het er zijn maakt me niet zoveel uit. Iets rond de vijf ofzo. Snel daal ik af naar Valloire en daar begint de vreselijke Galibier. Een van de allerzwaarste opgaven van Frankrijk. Het begint nog rustig, maar o o wat voel ik nou? Shit, kramp in mijn rechterbeen. Drinken drinken, zoveel als je kunt. Ik weet het te onderdrukken en weet ook dat de bevoorrading nog maar twee km verderop is. Hier doe ik rek- en strekoefeningen en masseer mijn spieren. Eet snel een reepje met magnesium en pak er eentje mee voor onderweg. Niet teveel tijd verspillen hier, dus ik ga op weg. De kramp is gelukkig verdwenen. En nu op naar de top op een dikke 2600 meter. De eerste kilometers zijn nog goed te doen, de wind staat gelukkig in de rug. Dat scheelt ook weer. Maar vanaf Plan Lachat is het nog acht gruwelijke kilometers richting de col. En wat voor kilometers? Nauwelijks kom je hier onder de 10%. De hoogte, ijle lucht en eerdere inspanningen zorgen ervoor dat elke renner hier compleet wordt uitgeknepen. Het is zwoegen voor mij, voor iedereen. Ik weet dat het na vier kilometer vanaf de kaasboerderij iets milder wordt. De bordjes die de boerderij aankondigen zijn dan ook welkom. Hé wie rijdt daar nou? Dat lijkt wel een van die kletsende Denen. Hij staat zowat stil, het lijkt nergens meer op. ‘Ja jongen, dat krijg je ervan.’ Maar voordat ik bij de boerderij ben is het werkelijk zwoegen tot het uiterste. Hoe hard het gaat? 7, 8 km/u, soms 9. Veel meer zit er niet in. Is dit leuk? Nee, eigenlijk niet. Afzien met een grote A. Na de boerderij is het even wat makkelijker. Hoewel, dat is zeer relatief. En de laatste twee kilometer zijn weer hels als vanouds. Het voordeel, of nadeel is dat ik dit weet en geen verrassing krijg voorgeschoteld. Ik maak nu een bocht linksom en zie enkel een dikke mist. Maar langzaam verschijnt het silhouet van een bordje. Dat moet de col zijn. Yes, het zit erop. Hier is het nog kouder dan op de Glandon. Ik vul mijn bidons, doe een sanitaire stop, eet snel weer wat en ga gauw weer naar beneden. De complete afdaling is autovrij. Vroeger was het hier slalommen tussen de auto’s, maar dit is echt een verbetering. Vanaf de Col de Lautaret is het zonnetje er weer en begint het zowaar lekker warm aan te voelen. De afdaling is afgezet voor te gemoed komend verkeer, zodat je lekker snel kunt afdalen door de binnenbochten te nemen. Ik zit in een groepje en we halen erg veel mensen in. Maar jeetje wat is dit? Weer kramp. Nu aan de binnenkant van mijn rechterbeen. Snel drinken, masseren en mijn magnesiumreepje naar binnen proppen. Het helpt, ik kan weer doorrijden. De tunnel van het Lac de Chambon is nog steeds afgesloten. Daar is een noodweg omheen gelegd. Nou ja weg, weggetje is een betere typering. Lekker loopt het niet, het gaat op en af. Het lijkt de Ardennen wel. Maar we moeten het er mee doen. Vanaf Les Deux Alpes gaat het weer lekker naar beneden. Ik zit in een mooie groep die goed doorrijdt. Het tegenklimmetje is altijd lastig, maar ik kan bijblijven en met hoge snelheid dendert het richting de voet van de Alp.

Alpe d’Huez
Zal ik nog een stop maken? Drinken heb ik nog voldoende en een sanitaire stop is niet nodig. Doorrijden dus. De Alpe d’Huez, wat is het toch een nare klim na 160 kilometer en 3800 hoogtemeters. De eerste drie kilometer zijn het zwaarst, maar het gaat redelijk goed. Ik klim niet slecht. Ik word ingehaald, maar haal ook anderen in. Altijd goed voor de moraal. Voorbij La Garde wordt het iets minder steil, maar het blijft lastig. Nog tien kilometer te gaan. Ik kijk om mijn fietscomputer, ik heb nog een uur. Ik probeer uit te rekenen welke tijd ik moet rijden. De afdaling van de Glandon heb ik geklokt, die was 34 minuten. Als ik dus rond de 8:30 rijd heb ik mijn doel bereikt. Maar rekenen gaat me niet meer zo goed af. Denken sowieso niet meer. Dat is maar goed ook, want anders had ik dit nooit volgehouden. Het is bochten aftellen. 21 zijn het er, genummerd van hoog naar laag. Ik weet dat het stuk tussen bocht 9 en 8 nog heel taai is. De vorige keer kon ik hier nog een tandje extra schakelen. Nu lukt me dat niet altijd meer. Ik probeer het wel, maar regelmatig gaat de 29 er weer op. Ik lijdt, zweet, reken en kom er niet uit. Haal ik het, haal ik het niet? Nog vijf kilometer. Ik zit nu rond de 8 uur rijtijd. Nog een half uurtje te gaan dus. De laatste kilometer is vrij vlak weet ik. Het moet dus kunnen. Zwoegend en ploegend gaat het omhoog. Een lachje naar de fotografen kan er niet meer af. Het is ook behoorlijk warm nu, maar ik heb er geen last van. Iedereen om mij heen lijdt in stilte. Hé daar heb je die andere Denen. Ik haal ze in alsof ik ze tegenkom, zoef. Maar ze lullen nog steeds. Verder gaat het bocht 5, bocht 4, een lang stuk naar bocht 3. Alpe d’Huez is boven mij in zicht. Het kan nog steeds als ik door blijf rijden. Het bordje van de laatste 2 kilometer is een geschenk. De laatste bocht en nu nog een steil stuk omhoog het dorp in. Vanaf de terrassen klinkt onophoudelijk het ‘Bravo, bravo’. Het geeft toch een kick. Hè hè eindelijk boven. Het fonteintje, het viaduct en het bordje van de laatste kilometer. Nog heel even een klein stukje naar boven en dan wacht de finish. 8:29 geeft de teller aan. ‘Yesssssss, ik ga het redden!’, geef nog even gas in het laatste stuk en daar is de finish in zicht. 8:31 op de teller. Dit kan niet stuk. Ik ben compleet gesloopt, hang over mijn stuur, drink enkele bekers water, maar ben tevens euforisch. Ik haal mijn diploma op om mijn tijd te zien. 7:57:53 staat erop. Ongelooflijk is dit. Tja, dat is mooi. Een doel stellen en het halen. Vaak mislukte het bij eerdere cyclo’s, maar deze is er eentje om in te lijsten. Misschien wel de beste ooit.

Tijd: 7:57:53
Plek AK: 1462 (6292 finishers + een onbekend aantal DNF)
Plek 50-59: 201 (van de 1539 finishers)

Niet slecht, ik mag tevreden zijn :-)

Laat alles zien
/*