Drenthe200: 200 monsterlijke kilometers

‘Waar begin je aan!’, is een veelgehoorde opmerking als ik meld dat ik deelneem aan de Drenthe200. In Richard heb ik een maat gevonden die net zo gek is om deze uitdaging aan te gaan. Een uitdaging die ons 200 kilometer lang voert over onverharde Drentse zand-, grind- en gravelwegen, bospaden, kasseien, dikke diepe moddersporen en, gelukkig, af en toe een heerlijk rollend stuk asfalt.

Deurgoan mannen, bliefn trappn!
Pikkedonker is het als we ons op 28 december om 6.00 uur opstellen in het startvak. Voor ons staan 1000 zenuwachtige deelnemers aan de start van de tweede editie van Drenthe200. Gelukkig is het niet te koud en staat er weinig wind. Om 6.20 uur worden we als laatsten weggeschoten voor onze monstertocht. Het publiek, voornamelijk vrienden en familie van de deelnemers, moedigt ons klappend en juichend aan.

Allemaal lichtjes
Een prachtig lint van lichtjes slingert door Roden op weg naar de eerste onverharde stroken bij Langelo. Om ons heen wordt weinig gepraat, waarschijnlijk is iedereen bang voor wat gaat komen. De eerste onverharde paden in het donker zijn gelukkig niet te technisch en ongeschonden komen we de donkere ochtend door. Hier en daar zien we een eenzame deelnemer naast de weg staan om een band te verwisselen. Waar begin je aan, helemaal alleen zo’n monstertocht rijden! Steun aan elkaar is bij dit evenement erg belangrijk.

Losse schoenplaatjes
De route door het Balloërveld ligt er in de ochtendschemering prachtig bij. Na de tweede verzorgingspost bij Rolde kan het licht op de fiets worden uitgezet. Ik merk dat mijn rechterschoen en pedaal ruzie hebben als ik probeer los te klikken. Een snelle inspectie levert niets op. Na drie valpartijen ben ik er klaar mee. In de buurt van Schoonloo (85 km) stoppen we om de schoenen eens goed te inspecteren. Het probleem is snel gevonden, een los schoenplaatje… Nadat het plaatje is vastgedraaid, kunnen pedaal en schoen weer prima door één deur, gelukkig.

Deurgoan mannen
Richard heeft dan al een tijdje pijn in zijn benen en heeft een kleine dip. Een dip met nog meer dan 100 kilometer te gaan. Praters op de fiets zijn we allebei niet. Ik ga langere kopbeurten draaien en hoop dat Richard er doorheen komt. Na 95 kilometer rollen we over kasseien door het museumdorp Orvelte. Een prachtig klein dorpje uit de 11e/12e eeuw. Pure promotie voor Drenthe. In gedachten zie ik Bartje (van de bruine bonen) staan. Hij staat ons aan te moedigen: ‘Deurgoan mannen, bliefn trappn!’.

 

Bij de tussenstop in Holthe wordt er erwtensoep opgediend. Zo dik heb ik de soep nog nooit gegeten, maar het gaat naar binnen. We hebben ook zelf eten bij ons, maar pakken alles aan wat de organisatie ons aanbiedt. Ik hoop maar dat de erwtensoep niet al te zwaar op de maag valt. Ook mijn benen beginnen nu pijn te doen. Gelukkig staan er bij iedere verzorgingspost veel mensen langs de kant, die de fietsers bij elke stop weer aanmoedigen. Ze moedigen niet meer alleen hun eigen helden aan. Iedereen wordt aangemoedigd. Het respect en de bewondering is voelbaar bij het publiek.

Man met de hamer
Na 110 kilometer kom ik de man met de hamer tegen. Tot dan toe hebben we vooral genoten van de tocht. Zwijgend doorkruisen we de bossen en heidevelden langs de Makkumerplas en het Nationaal Park Dwingelderveld. Heel veel oog voor de omgeving heb ik niet meer. In stilte zit ik af te zien in het wiel van mijn maat. Lukt het me, net als Richard, om door de dip heen te trappen? Ja het lukt, mede door de vele kilometers die Richard op kop heeft gereden. Waarvoor dank! In Dwingeloo trekken we beiden droge bovenkleding aan. Nog 70 kilometer te gaan.

In het donker over de finish
In de bossen rond Appelscha wordt er gedemonstreerd door een zestal rood bonte koeien. Het is duidelijk dat niet iedereen blij is dat er 1000 mountainbikers door het gebied crossen. De koeien proberen ons de weg te versperren. Gelukkig laten ze ons toch nog vredig passeren. De hele dag halen we mensen in of worden we ingehaald. Vaak zien we ook dezelfde mensen om ons heen rijden en af en toe maken we een praatje. 200 kilometer over onverharde wegen, het schept een band. Bij Norg (180 km) moet het licht weer ontstoken worden. In het donker is het lastig navigeren over de kronkelige bospaden. Als we het bos verlaten, rollen de wielen eindelijk weer over het asfalt. De finish is in zicht. Bij Roden verlaten we nog even het fietspad voor nog maar wat extra modder, maar dan doemt daar toch echt De Brink op. Met de finishboog in zicht, zet Richard nog één keer aan. Zijn belofte, 10 kilometer voor de finish, om niet te sprinten blijkt niets waard. Vol gaat hij aan, het lukt me om zijn wiel te houden, maar er voorbij komen lukt me niet meer. Om kwart over vijf en na 11 uur fietsen, staan we samen bovenop het podium en worden we door de speaker en de toeschouwers als helden onthaald. In mijn hoofd hoor ik Bartje roepen, ‘goed gedoan heur!’

Laat alles zien
/*