Armen in de lucht

Het wielrenvirus heeft me te pakken. Ik raak het nooit meer kwijt. Inmiddels denk, leef en slaap ik wielrennen. Prof zal ik nooit worden. Die ambitie heb ik ook nooit gehad. Het blijft maar een hobby. Maar wel een verdomd mooie hobby. In deze serie blogs ga ik terug in de tijd en diep ik uit mijn geheugen de mooiste avonturen op. Wellicht begrijpen ‘onwetenden’ dan wat het is om bevangen te zijn door het wielrenvirus: een prettige ziekte 🙂
door Gerrit Vermeulen
Het gat tussen mij en de achtervolgers werd groter en groter. Door stampen Gerrit!
Ik denk dat ik drie jaar geleden begonnen ben met het rijden van wedstrijden. Het stelt allemaal niks voor hoor. Gewoon clubkoersjes in Nieuwegein op de Nedereindse Berg bij WV Het Stadion. Fraai clubtenue aangeschaft en de eerste koers waarin ik startte, spelde ik rugnummer 72 op mijn hagelnieuwe wielrenshirt. Shirt op een tafeltje leggen in de kantine, rugnummer netjes rechts achter op het shirt. Anders kan de jury de nummers niet goed bijhouden tijdens de wedstrijd. Een geel nummer van de B-klasse.

Een paar maanden voor mijn eerste wegwedstrijd in Nieuwegein had ik meegedaan aan een MTB-wedstrijd op de Nedereindse Berg. Het was mijn eerste wedstrijd en ik had me ingeschreven bij de C-klasse. Na 1 wedstrijd mocht ik in de C-klasse nooit meer meedoen. Van de 10 deelnemers zat alleen de nummer 2 in de zelfde ronde. De rest was op 1 of meer ronden gezet door de schrijver van deze blog 🙂 Dit zei niets over mijn niveau, maar wel iets over het niveau in de C-klasse.

Mijn eerste wedstrijd op de weg begon ik dus in de B-klasse. Mijn eerste wedstrijdjaar was zwaar. Een uur lang aan het elastiek was heel normaal, helaas. Iedere dinsdagavond was het weer het zelfde liedje. Wel of niet lossen uit het peloton. Aan aanvallen, in de kopgroep zitten of winnen dacht ik absoluut niet! Ik was allang blij als ik me kon handhaven in de groep. Met pijn in nek en schouders kwam ik thuis van gezellig een avondje fietsen… Niet gewend aan de snelheid en de bochten (waarbij er met vier rijen dik of meer door een bocht gereden wordt), hield ik mijn stuur zo krampachtig vast, dat het na een uur overal pijn deed.

De angst verdween, gelukkig. In jaar twee koerste ik niet meer achteraan. Durfde aan aanvallen en meezitten in de kopgroep te denken en heel stiekem droomde ik al van een overwinning in de B-klasse. Dat moment ging gewoon een keer komen. Ik voelde het! Een sprinter ben ik niet, het moest dus gebeuren in een ontsnapping, sterker, ik moest alleen aankomen. Op een mooie dinsdagavond, het moet ergens in de vroege zomer van 2014 zijn geweest, zat ik dan eindelijk in een mooie ontsnapping.

Helaas werden we teruggepakt door het peloton, maar vlak voor het einde van de koers. Perste ik nog één keer alles uit mijn vermoeide benen. Weg was ik, ik vloog over de Nedereindse berg. Niemand volgde mijn voorbeeld. Alleen voor het peloton uit. Het gat tussen mij en de achtervolgers werd groter en groter. Door stampen Gerrit! maalde het door mijn hoofd nog één bocht en dan nog een paar honderd meter naar de streep! Dit is niet te geloven, ik ga hier gewoon winnen!

Maar dan spat de droom uit elkaar. Het peloton laat me nog steeds rijden. Ik begin te twijfelen. Dit is toch wel de laatste ronde? Waarom reageert er niemand uit het peloton. Ze laten anders nooit zo makkelijk iemand wegrijden… Dan zie ik de jury uit het raam hangen met een bordje in de handen. Geen zwart/wit-geblokte vlag, maar een bordje met nr 1 erop. Nog één ronde te gaan. Neeeeeeeee schreeuw ik in mijn hoofd. Mijn poten zijn helemaal verzuurd, ik kan dit tempo niet nog een ronde volhouden. Dichter en dichter nadert het peloton. Lachend word ik ingehaald. Als laatste rol ik 2 kilometer later over de streep. Bijna gewonnen, bijna de armen in de lucht kunnen steken. De droom van ooit te winnen blijft.

Laat alles zien
/*